Deskundig en persoonlijk advies?

Bel ons: 0183 666690 of stuur een mail

Werknemer - Waardeoverdracht

Bij het beoordelen van de gevolgen van een mogelijke waardeoverdracht van bij een vorige werkgever opgebouwd pensioen naar de pensioenregeling van een nieuwe werkgever, dienen een aantal aspecten van de oude en de nieuwe regeling vergeleken te worden.

 

De belangrijkste aspecten van de oude en de nieuwe regeling die onderzocht moeten worden zijn:

A. Soort regeling

B. Marktrente

C. Nabestaandenpensioen

D. Indexatie

E. Gemak/efficiency

 

Ad A. Soort regeling

Eindloon- en middelloonregelingen. Eindloon- en middelloonregelingen gaan uit van een zeker eindbedrag: je weet wat je bij pensionering jaarlijks krijgt. Eindloon is het beste als je nog een aantal carrièrestappen denkt te zetten. Overigens zijn de meeste pensioenfondsen/regelingen inmiddels overgegaan naar een middelloonregeling.  

Bij middelloon moet je vooral letten op de indexatie: de mate waarin de opgebouwde rechten jaarlijks worden aangepast aan het gestegen loon- of prijspeil.

Bij beschikbare premieregelingen weet je wat je betaalt, maar niet wat je straks aan pensioen ontvangt. Het opgebouwde kapitaal is met name afhankelijk van beleggingsresultaten, de rentestand en de algemene levensverwachting (sterftetafel) op pensioendatum. 

 

Ad B. Marktrente.

Met ingang van 1 januari 2008 is de berekening van de wettelijke overdrachtswaarde veranderd.

Tot en met 2007 werd de wettelijke overdrachtswaarde berekend op een vaste rente van 4%, maar deze is nu gebaseerd op de marktrente. De marktrente wordt jaarlijks bepaald. Voor het berekenen van de wettelijke overdrachtswaarde geldt in 2011 een rekenrente voor pensioenfondsen/regelingen van 2,984%.

Middelloon en eindloonaanspraken zijn gefinancierd op basis van een rekenrente van 3% (en soms nog op 4%). Als de marktrente lager is dan de rekenrente zal de wettelijke overdrachtswaarde hoger zijn dan de (contante) waarde berekend op 3% of 4%. Dit punt verdient voor de werknemer met name aandacht bij een waardeoverdracht van middelloon- of eindloonaanspraken naar een beschikbare premieregeling. 

 

Ad C. Nabestaandenpensioen

Met name als je kostwinner of eenverdiener bent, is een belangrijk aandachtspunt hoe in de oude regeling het nabestaandenpensioen verzekerd was (op risicobasis of op opbouwbasis) en hoe het nabestaandenpensioen in de nieuwe regeling is verzekerd (op risicobasis of opbouwbasis). 

 

Ad D. Indexatie

Het kan uitmaken welke vorm van indexatie een pensioenregeling biedt. Waardevaste indexatie is gekoppeld aan het prijspeil; welvaartsvaste indexatie is gebaseerd op de loonontwikkeling. Let ook op of de indexatie afhankelijk is van de financiële situatie van het fonds en op welke wijze.

 

Ad E. Gemak/Efficiency

Vaak is het argument bij overdracht dat op pensioendatum een uitkering wordt ontvangen van één uitvoerder. Voor pensioen opgebouwd gedurende een relatief kort dienstverband kan gemak/efficiency een argument zijn. Bij langere dienstverbanden kan gemak/efficiency alleen een argument zijn als de waardeoverdracht is beoordeeld op de eerder genoemde punten A, B, C en D.

 

Download brochure: 

Pensioen mee naar je nieuwe baan

Pensioen bij verandering van baan